Twas The Night Before Christmas


Twas The Night Before Christmas (or, A Visit From St. Nicholas) by Major Henry Livingston Jr (1748-1828) (Long time been presumed to be made by Clement Clarke Moore.)

‘Twas the night before Christmas, when all through the house not a creature was stirring, not even a mouse. The stockings were hung by the chimney with care, In hopes that ST. NICHOLAS soon would be there. The children were nestled all snug in their beds, While visions of sugar-plums danced in their heads. And mamma in her ‘kerchief, and I in my cap, Had just settled down for a long winter’s nap. When out on the lawn there arose such a clatter, I sprang from the bed to see what was the matter. Away to the window I flew like a flash, Tore open the shutters and threw up the sash. The moon on the breast of the new-fallen snow Gave the lustre of mid-day to objects below. When, what to my wondering eyes should appear, But a miniature sleigh, and eight tiny reindeer. With a little old driver, so lively and quick, I knew in a moment it must be St. Nick. More rapid than eagles his coursers they came, And he whistled, and shouted, and called them by name.

“Now, DASHER! now, DANCER! now, PRANCER and VIXEN! On, COMET! on CUPID! on, DONDER and BLITZEN! To the top of the porch! to the top of the wall! Now dash away! dash away! dash away all!” As dry leaves that before the wild hurricane fly…. When they meet with an obstacle, mount to the sky, So up to the house-top the coursers they flew.

With the sleigh full of toys, and St. Nicholas too. And then, in a twinkling, I heard on the roof The prancing and pawing of each little hoof. As I drew in my hand, and was turning around, Down the chimney St. Nicholas came with a bound. He was dressed all in fur, from his head to his foot, And his clothes were all tarnished with ashes and soot. A bundle of toys he had flung on his back, And he looked like a peddler just opening his pack. His eyes — how they twinkled! his dimples how merry! His cheeks were like roses, his nose like a cherry!

His droll little mouth was drawn up like a bow, And the beard of his chin was as white as the snow. The stump of a pipe he held tight in his teeth, And the smoke it encircled his head like a wreath. He had a broad face and a little round belly, That shook, when he laughed like a bowlful of jelly. He was chubby and plump, a right jolly old elf, And I laughed when I saw him, in spite of myself.

A wink of his eye and a twist of his head, Soon gave me to know I had nothing to dread. He spoke not a word, but went straight to his work, And filled all the stockings; then turned with a jerk, And laying his finger aside of his nose, And giving a nod, up the chimney he rose. He sprang to his sleigh, to his team gave a whistle, And away they all flew like the down of a thistle But I heard him exclaim, ere he drove out of sight,

“HAPPY CHRISTMAS TO ALL, AND TO ALL A GOOD-NIGHT.”

Het was de avond voor het Kerstfeest, toen in huis

Geen enkel wezen zich verroerde, zelfs geen muis.

De sokken waren heel omzichtig, vol verlangen

Naar Sint Niek, nabij de haardstee opgehangen.

De koters lagen snoezig in hun ledikantjes

En zagen in hun droom een reidans van fondantjes.

We lagen net – ik had mijn slaapmuts opgezet

En mama droeg haar sjaaltje – knus en warm in bed,

Toen ik een wild geraas in onze voortuin hoorde.

Ik sprong eruit, benieuwd naar wat mijn rust verstoorde,

Waarop ik ijlings naar het grote venster vloog:

Ik trok de luiken open, schoof het raam omhoog.

Het erf, dat onder verse sneeuw bedolven lag,

Leek in het maanlicht helder als bij klare dag.

Plots zag ik stomverbaasd een minuscule slee,

Getrokken door vier rendierkoppels, twee aan twee

Gemend door een bejaarde, kleine baas, zó kwiek,

Dat mij meteen te binnen schoot: dat is Sint Niek!

Zijn dravers suisden rapper dan een adelaar.

Hij floot, hij riep, hij noemde ieders naam zowaar:

“Ju, Sprinter! Ju, Danser! Ju, Pronker en Wonder!

Vort, Furie! Vort, Vuurbal! Vort, Bliksem en Donder!

Voorbij het dak van de veranda! Hoger nog!

Vooruit! Vooruit nu met z’n allen! Haast je toch!”

Als bladeren die vliedend voor het stormgetijde

Opwaarts zwierend elke hindernis vermijden,

Zo stoof de rendierkudde vinnig naar de nok

Met overvolle slede en de Kerstman op de bok.

Al na een tel bereikte mij vanaf het dak

Het opgetogen hoefgekletter en -geklak.

Ik draaide me, het raam weer sluitend, haastig om

En zag toen hoe de Kerstman uit de schoorsteen klom,

Van top tot teen royaal gehuld in rossig bont,

Waarover zich een floers van roet en as bevond.

Hij droeg een zak die met cadeaus was volgestouwd

En leek een kramer die zijn bundel openvouwt.

Die sprankelende ogen en die speelse kuiltjes!

Zijn neus welhaast een kers, zijn wangen rozentuiltjes!

Hij oogde olijk met zijn opgekrulde mond

En hagelwitte baardje dat hem prima stond.

Voldaan omklemde hij een pijpje met zijn tanden:

De rook omkringelde zijn hoofd als een guirlande.

Hij had een bolle toet en ook een dikke, zachte

Buik, die schudde als gelei wanneer hij lachte.

Zó koddig was die dwerg, zo rond als een pompoen,

Dat ik moest grinniken – ik kon er niets aan doen.

Een knipoog en een hoofdknik waren meer dan zat

Om mij te tonen dat ik niets te vrezen had.

Hij sprak geen woord terwijl hij aan de arbeid toog

En vulde elke kous. Daarna keek hij omhoog –

Hij hield een vingertje veelzeggend op zijn lippen

Alvorens door de open haard weer weg te glippen.

Met fel gefluit werd dra zijn roedel aangespoord –

Als distelpluisjes vlogen zij gewillig voort.

Maar eer hij echt verdween, riep hij uit alle macht:

“Een Vrolijk Kerstfeest, mensen, en een goede nacht!”

Kerst trends 2016

Submit a Comment