Het kindje lag gewikkeld


Het kindje lag gewikkeld in de doeken
Op moeders schoot; het was een armlijk kot:
De koe en ezel stonden achter ’t schot.
‘Wat die drie koningen in ’t huisje zoeken?’
Jozef was graag gevlucht in donkre hoeken.
Hij hield zich stil terzij: hij zat voor zot.
Maar noch gevolg noch vorsten toonden spot:
Geschenken biedend knielden zij, die kloeken.
Rondom de stal was van de rossen ’t neien*,
Uit de open hemel zongen englenreien,
’t Kindje zat stil en zag en hoorde ’t aan.
Maria lachte en vond het heel natuurlijk.
Jozef besloot: het spel was puur figuurlijk.
Slechts koe en ezel hadden ’t feest verstaan.

*rossen: paarden
neien: hinniken

Albert Verwey
Uit: Goden en grenzen
Amsterdam: Versluys 1920

Kerst trends 2016

Submit a Comment